Toelichting programma

Recital Maurice van Schoonhoven
Zaterdag 3 december 2016, 20.15 uur

Robert Schumann (1810-1856): Abegg-Variationen opus 1 (1829-'30)

- Thema (Animato)
- Variationen I-III
- Cantabile
- Finale alla Fantasia - Vivace

Het eerste werk dat Schumann publiceerde droeg hij op aan 'Mademoiselle Pauline Comtesse d'Abegg', een lieftallige dame die overigens alleen in de fantasie van de componist zelf bestond. 'Zo'n mistificatie is vast goed voor de verkoop', zal de jonge toondichter hebben gedacht. Het werk diende, zo schreef hij de uitgever, op 18 november 1831 te verschijnen, want 'dat is de geboortedag van gravin Abegg en haar ben ik zo het een en ander verplicht.' Het hoe en wat van die verplichting liet hij verder in het midden. De naam Abegg is overigens afkomstig van een meisje, Meta Abegg, dat hij op een studentenbal in Heidelberg had leren kennen. Maar de letters van Abegg zijn verder gewoon vijf toonnamen (a-b-e-g-g), die het begin van een thema vormen, dat Schumann als uitgangspunt nam. Vermoedelijk had hij aanvankelijk iets groots in gedachten, een reeks variaties voor piano en orkest, in de geest van een compositie van de toenmalige pianoleeuw Moscheles. Echte variaties zijn het niet geworden. Het motief abegg is meer een basisgedachte, waarmee wel zeer vrij wordt omgesprongen. Het ging Schumann ook vooral om een werk waarmee hij zijn virtuositeit als pianist kon etaleren. Daar is het echter nooit van gekomen: door een peesontsteking in de midddelvinger van zijn rechterhand met alle ellende van dien kon hij een carrière als concertpianist verder wel vergeten.

Johannes Brahms (1833-1897): Klaviersonate in C opus 1 (1853)

- Allegro
- Andante (nach einem altdeutschen Minneliede)
- Allegro molto e con fuoco - Piu mosso
- Allegro con fuoco - Presto non troppo ed agitato

Brahms, die een voortreffelijk pianist was en bovendien de aanvoerder van de 'klassiek-romantische' Weense richting in de muziek en daarmee de grote tegenstander van Wagner, schreef drie pianosonates, allen in het jaar 1853, op 20-jarige leeftijd. Alle drie sonates zijn opmerkelijk wat betreft hun in de basis klassieke structuur en hebben het typische Brahms watermerk wat betreft compositie en klank.
Van de 3 sonates wordt deze sonate opus 1 op het concertpodium relatief het minst uitgevoerd, en is het minst bekend. De moeilijkheidsgraad van deze sonate is daar waarschijnlijk debet aan.
Deze sonate opus 1 is eigenlijk de tweede, maar werd als eerste door Breitkopf uitgegeven en heeft daarom het opusnummer 1 meegekregen. Brahms droeg het werk op aan zijn vriend, de violist Joseph Joachim, die hij net had leren kennen en met wie hij in de volgende jaren vele malen op tournee zou gaan. De sonate had een klinkende aanbeveling gekregen van Schumann.
Direct in de eerste maat maakt Brahms duidelijk dat hij de traditie en de stijl van Beethoven wil voortzetten. Want het eerste thema opent met een ritmische figuur die identiek is aan het ritmisch motief waarmee Beethovens Hammerklaviersonate begint. Ook in de andere delen komt dit motief, overigens op verschillende manieren getransformeerd, voor, hetgeen samenhang aan de compositie geeft. Het tweede, langzame deel is gebaseerd op een volkslied-achtig wijsje waar Brahms de volgende tekst bij schreef:

Verstohlen geht der Mond auf.
Blau, blau Blümelein!
Durch Silberwölkchen geht sein Lauf.
Blau, blau Blümelein!
Rosen im Tal, Mädel im Saal, o schönste Rosa.

Het wordt gevolgd door een drietal variaties en een epiloog, waarop direkt (attacca) een wild (en zeer moeilijk te spelen) scherzo volgt. Niet minder snel is de finale, een rondo, waarvan het refrein tweemaal wordt afgewisseld met rustige en intiem klinkende couplet-delen. Een stormachtig coda besluit het geheel.

Frédéric Chopin (1810-1849): Ballade in g opus 23 (1830-'31)

Chopin componeerde in totaal vier ballades, allen eendelige werken voor piano solo, geschreven tussen 1831 en 1842. Chopin gebruikte de titel ballade als eerste voor een muziekwerk.
De ballades zijn qua vorm een innovatie en vallen niet binnen bestaande andere vormen van voor die tijd zoals sonatevorm of liedvorm. De ballades waren wel een directe inspiratie voor andere componisten als Franz Liszt en Johannes Brahms die tevens ballades schreven.
De oorsprong van het begrip 'ballade' is tweeledig. De term verwijst naar de dans, en met name naar de oude Italiaanse 'ballata', maar ook naar een vertelling, of een verhalend lied in de vorm van een gedicht waarvan de vorm in de middeleeuwen is ontstaan. Het bestaat uit een aantal korte strofen waarin tragische gebeurtenissen verteld worden. Elementaire thema's als dood en wraak vormen de kern en ze lopen meestal tragisch af.
Wat betreft het dansante element, er kunnen (met name in de 2de en 3de ballade) wellicht dansante gedeelten worden aangewezen, maar enigszins verborgen. Het verhalende element is zeker aanwezig, maar Chopin heeft in deze nooit een tip van de sluier opgelicht wat betreft de bron. Musicologen denken dat de vier ballades zijn gebaseerd op gedichten van Adam Mickiewicz maar zeker is dat niet.
Chopin componeerde zijn eerste ballade op 21-jarige leeftijd nog in Wenen, waar hij na de Poolse opstand in 1830 heen was gevlucht. Later zou hij zich in Parijs vestigen, waar de eerste ballade ook werd uitgegeven. In hoeverre Chopins ballade beluisterd kan worden als evocatie van zijn eenzaam verblijf in het onbekende Wenen, van het gemis van zijn vaderland en zijn bezorgdheid om de oorlog die daar woedde, is aan de luisteraar. Het stuk is gebouwd op twee thema's en heeft ongeveer de vorm van een sonate. Verschil daarmee is vooral dat in de reprise het eerste thema pas na het tweede komt.

Frédéric Chopin: 12 études opus 25 (1829-'33)

- 1 in As, Allegro sostenuto
- 2 in f, Presto
- 3 in F, Allegro
- 4 in a, Agitato
- 5 in e, Vivace - Piu lento - tempo I
- 6 in gis, Allegro
- 7 in cis, Lento
- 8 in Des, Vivace
- 9 in Ges, Allegro assai
- 10 in b, Allegro con fuoco - Lento - Tempo 1
- 11 in a, Lento - Allegro con brio
- 12 in c, Molto allegro, con fuoco

De combinatie piano-étude en Chopin is uniek, omdat Chopin het genre verhief boven de pianotechniek-ontwikkeling thuis en in de leskamer, en de eerste was die études componeerde om in de concertzaal uit te voeren. Hij schreef er bij elkaar zevenentwintig, waarvan de serie van 12 études opus 10 en de 12 études opus 25 de bekendste zijn.
Vanavond horen we de 2de serie opus 25, ook weer geschreven op jonge leeftijd rond zijn twintigste jaar. Ofschoon in alle études een specifieke technische moeilijkheid wordt aangepakt, overheerst op de eerste plaats de muzikale zeggingskracht van de études; het aspect 'oefenstuk' wat een étude feitelijk is, is volstrekt ondergeschikt aan het muzikale verhaal.
Hoewel sommige études bijnamen hebben gekregen (wie kent niet de 'Revolutie' etude opus 10 nummer 12), deze zijn niet van de hand van Chopin zelf, en later ontstaan.
We belichten hieronder van elke étude summier de technische achtergrond:
De eerste etude in As (ook wel 'harp' etude genoemd) wordt gekenmerkt door arpeggierende akkoorden in tegenbeweging met een sublieme melodie in de topnoten van de rechterhand. De tweede in f mineur kenmerkt zich door een snelle triolen-melodie in de rechterhand.
De derde étude in F doet auditief enigszins aan een galopperende beweging denken, met ritmisch gezien lastige snelle motieven in beide handen, terwijl de vierde in a mineur opvalt door snelle sprongen in de linkerhand.
De vijfde étude in e mineur heeft als kenmerk de dissonate voorslagen in de melodie van de hoekdelen. Het is een driedelige vorm, met in het langzamere middendeel een prachtige melodie in de linkerhand, rechts begeleid door op en neergaande drieklanken. De zesde in gis mineur kennen we als de tertsen etude, waar de rechterhand consequent van het begin tot het einde snelle tertsen speelt.
De zevende étude in cis mineur is ook wel bekend als 'cello' étude, omdat de linkerhand in het cello-register overwegend de melodie heeft. Een étude met een prachtig verstild middendeel overigens met de melodie in de rechterhand, zoals alleen Chopin dat kan schrijven. De achtste étude in Des kenmerkt zich door sext intervallen in zowel de rechter- als linkerhand.
De negende étude in Ges is kort, met lastige oktavengrepen in de rechterhand, en met een overwegend licht speels karakter, terwijl de tiende étude het probleem oktaaf voor beide handen in een donkere dreigende stemming aanpakt. Ook hier is het contemplatieve middendeel weer van ongekende Chopineske kwaliteit, een middendeel dat via een dreigende versnelling overgaat in het allegro con fuoco met een reusachtig lastig coda.
De elfde étude is karakteristiek vanwege het thema dat solo inzet, om daarna echter in de linkerhand in akkoorden terug te komen, begeleid door snelle zestienden in de linkerhand. De twaalfde laatste etude in c mineur heeft een specifieke moeilijkheid, door sommige pianisten als relatief eenvoudig ervaren, door anderen weer als heel moeilijk, namelijk synchroon omhoog en omlaag verplaatsende oktaaf motieven, met de melodie in de duim van de rechterhand.

Terug naar de beginpagina


Maurice van Schoonhoven
Maurice van Schoonhoven
Aankondiging recital Maurice in krant
Aankondiging recital Maurice in krant
Een jonge Brahms (1833-1897)
Een jonge Brahms (1833-1897)
Frédéric Chopin (1810-1849)
Frédéric Chopin (1810-1849)